Op de basisschool hebben de kinderen de Cito toetsen net achter de rug. Ouders vinden de resultaten van de Cito toetsen erg belangrijk. En hechten er vaak veel waarde aan, maar vergeten we soms niet de methode toetsen? Wat toetst een methode toets eigenlijk? En wat toetst Cito? In deze blog wordt het verschil tussen een methode toets en Cito toets beschreven. Daarnaast wordt het belang van beide toetsen aangehaald.
De twee meest bekendste toetsen in het basisonderwijs zijn de niveautoetsen en de criteriumtoetsen.
Niveautoetsen, zoals Cito-toetsen, geven aan hoever een kind is gevorderd ten opzichte van de gemiddelde vooruitgang van wat men mag verwachten van een kind van een bepaalde leeftijd. Er kan onafhankelijk van de methode van school worden getoetst. Een Cito-toets toetst reeds aangeleerde en nog niet aangeleerde vaardigheden. Daarnaast laat een Cito-toets eventuele achterstanden en hiaten zien. Echter blijft het een globale beoordeling, omdat niet duidelijk wordt ‘hoe’ het kind tot het antwoord is gekomen. De waarde van Cito-toetsen kan worden vergroot door toetsen achteraf te analyseren. Hierdoor weet de leerkracht precies waar de hiaten zitten. Daarnaast geeft het een goed beeld van individuele leervorderingen en het onderwijsrendement van de leerkracht. De leerkracht kan zijn/haar instructie hierop aanpassen.
In deze blog wil ik ook de ouder helpen in het interpreteren van de Cito-resultaten. Deze krijgen de meeste ouders tijdens een rapportbespreking mee, maar wat zeggen de gegevens? De resultaten van de Cito-toetsen bestaan uit een aantal criteria. Een aantal belangrijke resultaten zijn: de didactische leeftijd, de didactische leeftijdsequivalent, de vaardigheidsscore, een LR% en de niveauwaarde.
De didactische leeftijdsequivalent (DLE) geeft de prestatie van het kind aan, overeenkomend met een gemiddelde prestatie van de normgroep na een bepaalde periode van schoolervaring. Een schooljaar bestaat uit ongeveer 10 maanden en telt verder tot eind groep 8, 60 onderwijsmaanden. Het aantal maanden onderwijs staat onder didactische leeftijd (DL). Wanneer een kind 23 maanden (DL) onderwijs heeft genoten, mag men verwachten dat het kind een DLE van 23 behaald. Haalt het kind een DLE van 18, betekent dit dat het kind 5 maanden achterstand heeft. Een vaardigheidsscore is ontwikkeld om toetsen met elkaar te kunnen vergelijken. Na het maken van een toets heeft een kind een toetsscore. De toetsscore wordt omgezet in een vaardigheidsschaal met vaardigheidsscores. De vaardigheidsscore geeft aan in welke mate het kind de vaardigheid beheerst. Met de LR% wordt de verhouding tussen DL en DLE aangegeven. Als DL en DLE gelijk zijn, heeft het kind een LR% van 100% behaald. Is het percentage hoger dan 100%, heeft het kind een voorsprong. Heeft het kind lager dan 100%, dan heeft het kind een achterstand. De kritische grens ligt bij 80%. Een niveauwaarde is de plaatsbepaling van een kind binnen de niveaus I t/m V. Elk Cito-niveau (I, II, III, IV, V) is verdeeld in tien gelijke stukken, waardoor je met niveauwaarden heel secuur naar het leerrendement kunt kijken. Men start met een 0 bij V en een 5 bij I. Wanneer een kind een niveauwaarde van 1,1 heeft behaald, heeft het kind een lage IV-score. Heeft het kind een niveauwaarde van 1,9 gescoord, dan heeft het kind een hoge IV-score en bijna een III-score behaald.
De criteriumtoetsen zijn de methode-toetsen. Deze sluiten aan bij een leerstofonderdeel, bijvoorbeeld een hoofdstuk uit een leerboek. Men kan nagaan of het specifieke doel, dat voorafgaand aan een hoofdstuk is opgesteld, is bereikt met behulp van de 80 procent normering. De norm ligt niet bij de gemiddelde prestatie van een vergelijkingsgroep, maar bij de mate van individuele beheersing. Ook deze toetsen kunnen geanalyseerd worden. Zo weet men op welke gebieden lesdoelen niet behaald zijn en welke kinderen intensivering van instructie nodig hebben. Uiteraard kan de leerkracht ook bij de resultaten van methode toetsen zijn/haar instructie aanpassen.
Beide toetsen en resultaten zijn dus belangrijk voor inzicht in de leerontwikkeling van het kind en het geven van effectief onderwijs. Dit waren een aantal belangrijke punten van beide soorten toetsen. Natuurlijk zijn er veel meer criteria, maar om het concreet te houden, worden deze niet besproken in deze blog.
Literatuur
Ruijssenaars, A.J.J.M., Van Luit, J.E.H., Van Lieshout, E.C.D.M. (2006). Rekenproblemen en dyscalculie. Theorie, onderzoek, diagnostiek en behandeling. Rotterdam: Lemniscaat
Klik om toegang te krijgen tot uitleg-toetsoverzicht-lovs-i-tm-v.pdf